




Geschiedenis Naturisme
Nederland
De eerste Nederlandse naturisten
In het toenmaals behoudsgezinde Nederland
ontstond het georganiseerde naturisme pas in de jaren '30. De eerste Nederlandse
naturisten zochten mooie plekjes in de natuur, beoefenden er naakt sport, zwommen
er of lagen in de zon. Later kochten mensen gezamenlijk grond aan, die zij samen
geschikt maakten voor dagrecreatie en later voor kamperen. De eerste Nederlandse
naturistenvereniging was "Zon en Leven".
Voor de leden van deze vereniging ging de filosofie van het naturisme verder dan het gezamenlijk bloot zijn en de verbondenheid met de natuur. De harmonieuze levenswijze werd nog eens versterkt door een gezond leefpatroon, dat wilde zeggen: geen tabak, geen drugs, geen alcohol en geen vlees. In het begin van de jaren zeventig werd het verbod op het eten van vlees los gelaten. Tot aan het begin van de 21e eeuw waren tabak en alcohol dan ook uit den boze op de Zon en Leven-terreinen, en roken op deze terreinen is eigenlijk nog steeds niet toegestaan.
Niet iedereen stond achter deze doorgedreven vorm van naturisme en zo werden in de jaren '50 als tegenreactie de eerste lichtbonden opgericht, waar men geen vegetariër was en wel rookte en dronk.
Men kwam, meestal op zondag, bij elkaar op het eigen naturistenterrein. Zon en Leven bleef wel de grootste vereniging met meerdere terreinen. De lichtbonden hadden en hebben doorgaans één terrein. Het aantal verenigingsterreinen in Nederland is sinds het einde van de jaren '70 ongeveer gelijk gebleven: in 2005 zo'n 45 terreinen, waarvan negen stuks van Zon en Leven. Daarentegen zijn er wel een vijftiental campings, minicampings of terreinen voor dagrecreatie bijgekomen. Evenals de vele mogelijkheden om (buiten het buitenseizoen) binnen te zwemmen. Zie de externe links voor een compleet overzicht.
De sfeer door de jaren heen
Tot in de jaren '70 werd het naturisme gekenmerkt door
een grote beslotenheid. Naturisme was verre van sociaal geaccepteerd en naturisten
werden met de nek aangekeken. De naturisten van het eerste uur hadden moeite elkaar
te vinden, terreinen te vinden en natuurlijk ging het promoten van naturisme ook
moeizaam.
De buitenwereld mocht daarom niet weten waar er naturistenterreinen waren. Om alle mogelijke inkijk van buiten te verhinderen, werden naturistenterreinen vaak afgeschermd door wallen en rietmatten. Dat gebeurde overigens ook vaak op verzoek van de betreffende gemeente, die klachten over "aanstootgevend bloot" wilde voorkomen.
Evenmin mocht de buitenwereld weten, wie naturist was. Sommigen – bijvoorbeeld onderwijzers of mensen die anderszins met kinderen werkten – waren ervan overtuigd hun baan te verliezen als bekend werd dat zij in het weekend op een naturistenterrein te vinden waren. Bij naturistenterreinen waarbij de parkeerplaats vanaf de openbare weg te zien was, gingen sommigen zelfs zo ver hun nummerborden te bedekken. Naturisten kenden elkaar doorgaans alleen bij de voornaam en in notulen van bestuursvergaderingen werden achternamen altijd achterwege gelaten. Nieuwe leden konden rekenen op een serieuze ballotage en daarna op een aspirant-lidmaatschap van een jaar. Men wilde voorkomen dat lieden met dubieuze bedoelingen zomaar lid konden worden en daarom werden uitsluitend echtparen (met of zonder kinderen) toegelaten als lid.
Tegenwoordig hebben de meeste naturisten er weinig moeite mee de "buitenwereld" te vertellen waarom zij naturist zijn en waarom het zo leuk is om een naturistenterrein te bezoeken. Voor de meeste naturisten of naaktrecreanten geeft het bloot zijn in een natuurlijke omgeving een gevoel van vrijheid. Voor velen is het streeploos bruin worden een plezierige bijkomstigheid. Ook gelden er nog nauwelijks beperkingen voor naturistenterreinen. Iedereen is welkom voor een dagbezoek of een langer verblijf, al moet je daarvoor doorgaans wel in het bezit van een door het INF/FNI erkende kaart zijn. Ook staat het iedereen vrij een verenigingslidmaatschap aan te vragen.
Net als in het verleden schept het gezamenlijk bloot zijn nog altijd een onderlinge band, waardoor naturisten nog altijd sociaal met elkaar omgaan en het makkelijker is sociale contacten te maken als je daar behoefte aan hebt.
Nederland wordt bloter
In 1973 werd het eerste openbare naaktstrand geopend in Callantsoog.
Nederland raakte langzaam gewend aan bloot. Behalve mensen met een ledenkaart waren
er nu ook naaktrecreanten die niet waren aangesloten bij een vereniging. Hiermee
kwamen langzaam ook discussies los, over de vraag wat een naturist onderscheidde
van een nudist. Naturisme zou meer zijn dan alleen maar bloot, naturisme zou "Bloot
+ 1" zijn. Zie ook bovenstaande definities van het naturisme. Een duidelijk antwoord
op deze vraag is er nooit gekomen. Voor de Naturisten Federatie Nederland is het
onderscheid vandaag de dag ook niet relevant. De federatie staat voor de bevordering
en promotie van de mogelijkheden voor naaktrecreatie voor iedereen die daar behoefte
aan heeft.
Aan het eind van de jaren 70 hebben steeds meer mensen de geneugten van het naturisme ontdekt. Steeds meer leden brengen de weekenden door in hun caravan op het terrein. Het tijdperk van de dagjesmensen is voorbij. Enige arrogantie is de naturisten niet vreemd. Ze vinden een naturistenterrein niet te vergelijken met een "gewone" camping. Textielcampings, zoals ze vaak door naturisten genoemd worden, zijn lawaaiig met schreeuwende mensen en schetterende radio's. Naturisten zijn rustige, eerlijke mensen, die nooit rommel achterlaten. Naturistenterreinen waren en zijn vaak op mooie plekken gelegen, nooit dicht aan de weg, vrijwel altijd beschut. Naturisten voelen zich heden ten dage wellicht minder verheven ten opzichte van andere campingbezoekers, de verschillen qua sfeer en uitstraling tussen naturisten- en textielcamping zijn nog altijd van kracht.
Vanaf het eind jaren zeventig willen ook steeds meer mensen bloot op het strand liggen. Vechters van het eerste uur strijden voor het eerste naaktstrand bij Callantsoog, waar in 1973 de NFN-vlag wordt gehesen. Achter de schermen lobbyt de NFN in politiek Den Haag voor een legalisatie van naaktstranden. Die komt er eind jaren '80! Vanaf dan is naaktrecreatie in Nederland toegestaan op iedere plek, die daarvoor door de gemeente is aangewezen of die daar redelijkerwijs geschikt voor is (artikel 430a Wetboek van Strafrecht). Veel gemeenten hebben plaatsen aangewezen als naaktstrand. Ook op een naaktstrand is de sfeer meer ontspannen, zijn de mensen milieubewuster en heeft de bezoeker meer ruimte dan op het textielstrand.
Naast kampeerterreinen en op stranden kwamen ook andere mogelijkheden voor naturisme in opmars. Zo kunnen naturisten ook terecht in zwembaden in het hele land.
Tussen 1975 en 2005 vertienvoudigde het ledenaantal van de Naturisten Federatie Nederland van 6500 naar 72.000. Uit onderzoek verricht in opdracht van de NFN in 2005 bleek, dat 2 miljoen Nederlanders met enige regelmaat bloot recreëert op naaktstrand, in de vrije natuur of in de eigen achtertuin.

Geschiedenis van 25 jaar Zonnelust,
van 1957 tot 1982.
In 1949 of in 1950 misschien
Kwam Jaap eens thuis en zei tot zijn vrouw:
Vrouw, ik heb een mooi stukje grond gezien,
Dat ga ik kopen, kom eens gauw.
Tineke zei: Man, je lijkt wel idioot
Hoe haal je het in vredesnaam in je hoofd;
Maar Jaap dacht direct aan bloot,
Want daaraan had hij altijd geloofd.
Het duurde dan ook niet lang,
Of Tineke lag daar in haar nakie te zonnen.
Jaap liep er omheen, voor kijkers was hij bang
En aan een schutting was hij nog niet begonnen.
Weldra kwamen er nog wat vrienden,
Die vonden dat een goed idee;
Ze konden het daar heel best vinden,
En deden vlijtig aan de opbouw mee.
Eerst maar eens met een aantal mannen
Een hek van prikkeldraad gezet;
Het viel niet mee om dat te spannen,
Maar ondanks de schrammen toch veel pret.
Een poort kwam er toen ook meteen
Men ging er direct mee aan de slag.
Het was echter een groot probleem
Dat de poort aan een weg zonder uitrit lag.
Een diepe greppel lag ervoor, ’t was geen gezicht
Dat is zo moeilijk binnenlopen
En la gooide men die sloot ook steeds weer dicht
De gemeente maakte hem prompt weer open.
Voor de meeste mensen gaf het niets
Die keken hier meestal niet van op
Ze kwamen te voet of met de fiets,
Een automobilist krabde zich wel eens op zijn kop.
De oplossing was een houten vlonder
Die werd er overheen gelegd;
Afgelopen was toen het gedonder
Er werd geen woord meer over gezegd.
Toen moest er iets worden bedacht
Om kijkers buiten te houwen
En gingen we met man en macht
Een hele rij rietmatten bouwen.
De volgende stap was het sanitair
Dat werd vooreerst wat primitief:
Een ton in de grond, niemand vond het raar
Ze namen het ongerief voor lief.
Ook een pomp werd toen geslagen
Een buis in de grond, dertig meter diep;
Over water hadden we niet te klagen,
Fantastisch zoals dat pompje liep.
Nu was nog de wens van iedereen
Daarop moest iets worden verzonnen meteen
Eigenlijk zat men erop te wachten.
In Veldhoven ging een oude bus van de hand
Voor werkelijk een heel zacht prijsje
En van Veldhoven naar het land
Was toch maar een heel klein reisje.
De ondernemer met zijn zoon van achttien jaren
Waren bereid het ding te bezorgen;
Het moest vooral niet teveel opzien baren
Daarom deden ze het in de vroege morgen.
De bus werd op zijn plaats gereden,
Vader en zoon gingen er toen onder;
Plotseling zakte het gevaarte naar beneden
En kregen ze de hele bus op hun donder.
Met heel zwaar en ernstig letsel
Gingen ze naar ’t ziekenhuis, onvervaard
Voor ons vormde dat geen beletsel
We hebben toen zelf het karwei geklaard.
Maar nu had je toch de poppen aan het dansen
’t liep ontiegelijk uit de hand,
Want politie, dokter en een ambulance,
Ja zelfs een geestelijke kregen we op het land.
Plus een grote hoop nieuwsgierig volk
En berichten in het plaatselijk blad;
’t hing boven ons als een donderwolk,
Neen, dat zat ons echt niet glad.
Van de gemeente Someren een aangetekende brief,
De bus moest verdwijnen en wel subiet,
We dachten, daar gaat ons gerief,
Neen, dat redden we dit keer niet.
Als laatste middel een advokaat,
Die schreef de gemeente een dreigend woord,
Dat middel heeft toen goed gebaat,
We hebben er nooit meer iets van gehoord.
Het werd langzamerhand een flinke groep
Die zich vermaakte daarbuiten;
En toen kwam er toch een zekere roep
Om zich ergens aan te sluiten.
Er viel toen een rigoreus besluit,
We vonden het wel een heel goed streven
We werden de Brabantse afdeling Zuid
Van de naturistengroep Zon en Leven.
Maar ja, die mensen zijn nogal principieel,
Alles moet met hun ideeën stroken
En mag je niet zo heel erg veel:
Geen alkohol, geen vlees, niet roken.
Op den duur hield dat geen stand,
Een Brabander houdt van elk wat wils
En wat smaakt beter op het land
Dan op z’n tijd een glaasje pils…
Negentien zeven en vijftig werd toen geschreven
En men begon zich toch erop te richten
Afscheid te nemen van Zon en Leven
En een eigen klub te stichten.
We gingen een vergadering beleggen
Niet veel tijd ging toen verloren;
Even beraad en goed overleggen
En Zonnelust was toen geboren.
Hoe de klub toen verder groeide
Men was er ten zeerste over tevreden
En de vereniging ongekend bloeide
Op een zonnige dag waren er wel honderd leden.
Om goed sanitair werd toen geroepen
Dat moest er nu toch heel gauw zijn
Want om steeds maar op een ton te poepen
Vond men toch niet zo heel erg fijn.
Onder de goede leden was wel een metselaar
Die maakte voor heel weinig centen
Een karwei goed en deskundig klaar:
Een sceptic tank met vier kompartimenten;
Een deksel erop, de pot daarop aanpassen
Over het geheel dan een keurig huis
En voor de mannen die moesten plassen…
Precies, je raadt het, was er Jan Buis…
Alles ging echter niet van een leien dak
Als je dat denkt dan vergis je je hoor,
Er was heus wel eens wat ongemak
En je gelooft het niet ’t kwam van de pastoor;
Want zondags bij de heilige mis
Preekte hij na het bijbelse woord
Van de kansel hel en verdoemenis
Over ons terrein, ’t was ongehoord.
De mensen kwamen dan uit de kerk
Na gehoord te hebben zijn donderende preken
Probeerden de andere dag na het werk
Ons mooie terrein in brand te steken.
Ook zigeuners kregen wij te gast,
Die zetelden aan de overzij;
’t viel trouwens wel mee met die last,
Een gaspot stelen, daar bleef het bij.
Werk bleef je altijd houwen:
Snoeien, onderhoud, veel opruimwerk,
Mutsers maken, schutting bouwen
Er sneuvelde soms een eik of berk.
Ook de wc-put raakte soms vol
Dan was het uitscheppen geblazen;
Daaraan was heus niet zo veel lol,
Dat zal heus niemand verbazen.
Lekker scheppen doe je hier,
Geen wonder, na een drukke vakantie,
Is de aldaar aanwezige gier
Van een behoorlijke dikke substantie.
Niemand was toen nog in het bezit
Van caravan of tent, ’t was heel knus
Want als er moest worden gepit
Sliep ’t hele stel gezellig in de bus.
Jong en oud lagen dicht op een rij
Lekker warm op stro, gestopt in een tijk
We sliepen heel gelukkig en blij
Maar omdraaien moesten we tegelijk.
De een lag te snurken, een ander te fluiten
Men lag op rug of buik;
Jan lag vooraan, zijn baard stak naar buiten,
Enkelen lagen onder het open luik.
Maar kwam er dan plotseling regen,
Dan was er meteen grote paniek
Want die onder het gat konden daar niet tegen
En wakker was dan de hele kliek.
Er was toen ook iets wat op een keuken leek
Dat was lang niet honderd procent
Want als je het ding goed bekeek
Was ’t een hok met een klep, die ging overend.
’t Was goed behelpen, dat was een feit
Want met een tweepits gascomfoor daarbinnen
Eiste koken veel beleid
Vooral samen met twintig gezinnen.
Veel werd geïmproviseerd
En een kniesoor die daar op let
Al doende had men ’t gauw geleerd
De aardappels werden gewoon vierhoog gezet.
De bovenste kwamen wel niet zo gauw aan de kook
Hierop was nog wel iets te verzinnen:
Bijelkaar in, dat ging ook
En de maaltijd kon dan toch beginnen.
Door ’t gedrang liep het wel eens uit de hand
En viel er, al was het goed bedoeld
Wel eens een bal gehakt in het zand
Dan werd die gewoon weer afgespoeld.
Gevolleybald werd er bij het leven, zoals dat heet
Nooit werd er stil gezeten
Volley, volley, steeds weer die kreet
Men had nog geen tijd om te eten
In negen en vijftig was het grote feest
Het terrein bestond reeds tien jaar
We vierden allen blij van geest
Dit heugelijke feit zo met elkaar
Het werd een geweldig evenement
Wel tweehonderd mensen waren hier
Een grandioos feest, heel ongekend
We maakten ontzettend veel plezier.
Het jaar twee en zestig was wat minder leuk
Er kwam toen wat onenigheid;
Dat leidde toen tot een grote breuk
Voorwaar, dat was geen kleinigheid.
Een aantal mensen splitsten zich af
En gingen voor onze klub teloor.
De penningmeester ging, dat was heel laf
Er tevens met onze kas vandoor.
Dit deed ons echter niet verslagen,
De klub bleef ondanks dat bestaan.
We zijn toen zonder verder te klagen
Toch maar rustig doorgegaan.
Negen tien drie en zestig ging heel belangrijk worden
Want wat was er toen wel aan de hand
Een grondkuil was aan de orde
Dat werd heel gunstig voor ons land.
Aan de voorkant raakten we een stukje kwijt
Maar daarentegen kregen we opzij
We waren er ten zeerste mee verblijd
Een mooi stukje grond erbij.
Tot ons geluk troffen we op een dag een man die wel wat wilde verdienden
Die er echter wel een gat in zag
Dat hij dan ook maakte met zijn machine.
En de uit de kuil gekomen grond
Werd opgeworpen als een wal
Heel mooi helemaal in het rond
Een prachtige beschutting overal.
De klub is door de jaren heen
Steeds een vriendenkring gebleven:
Steeds kwamen we weer bijeen
Om veel plezier te beleven.
De bus werd gesloopt, een hut gebouwd
We deden het met heel veel beleid;
Er werd toen heel wat afgesjouwd
Maar nooit hadden we daarvan spijt.
Het ledental, dat groeide wel
Daardoor kregen we meer geld,
Veel vernieuwingen volgden snel
De rest is nu heel gauw verteld.
De barbecue, een nieuw toilet,
We bouwden het goed geluimd;
Een tennistafel neergezet
En Jan Buis maar opgeruimd.
Tenslotte maakten we met veel gevoel
Een prachtig vlakke baan;
Daar spelen we fijn jeu de boules,
Laat de tireurs nu maar begaan.
Mensen dit was dan het relaas
Van een heel, heel lang bestaan.
Moeilijkheden bleven we de baas
’t zal waarachtich nog heel lang gaan
Laat de zon ons nog beschoren zijn,
Mooie weekends op het land;
En hopen dat dit mooie terrein
Nog lang blijft in onze hand.
Proficiat voor klub en bestuur
Jullie hebben veel goeds gedaan.
In de hoop, dat voor ons nog menig uur
Van gezelligheid mag slaan.
1982, door Wil Verwoert.